aanwijzing
Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht
|
Categorie: |
Opsporing |
|
Rechtskarakter |
Aanwijzing i.d.z.v. art. 130 lid 4 Wet RO |
|
Afzender |
College van procureurs-generaal |
|
Adressaat |
Hoofden van de parketten en de politie |
|
Registratienummer |
2004A016 |
|
Datum vaststelling |
07-12-2004 |
|
Datum inwerkingtreding |
01-01-2005 |
|
Geldigheidsduur |
01-01-2009 |
|
Publikatie in Stcrt: |
PM |
|
Vervallen |
Richtlijn Wet op de identificatieplicht, vastgesteld in de vergadering van procureurs-generaal d.d.13 april 1994, Stcrt. 1994,80 |
|
Relevante beleidsregels |
OM Richtlijn voor strafvordering tarieven en
feitomschrijvingen (....)(2003R006)
|
|
Wetsbepalingen |
Wet op de uitgebreide identificatieplicht; art. 447e WvSr |
|
Jurisprudentie |
-- |
|
Evaluatie |
3 jaar na inwerkingtreding |
|
Aantal bijlagen |
-- |
ACHTERGROND
Op 1 juni 1994 is de Wet op de identificatieplicht (WID) in werking getreden
en naar aanleiding daarvan is de Richtlijn WID op 13 april 1994 door de
vergadering van procureurs-generaal vastgesteld. De WID bevat, kort
samengevat, twee soorten verplichtingen:
de verplichting voor alle burgers om in bepaalde situaties een
identiteitsbewijs ter inzage te verstrekken (de identificatieplicht);
de verplichting voor bepaalde personen en instanties om in bepaalde
situaties de identiteit van een derde vast te stellen aan de hand van een
identiteitsbewijs (de verificatieplicht).
In artikel 1 van de WID worden de documenten genoemd waarmee de identiteit
kan worden aangetoond. Na de inwerkingtreding van de WID zijn in
verschillende andere wetten, vooral in de sfeer van de sociale zekerheid,
identificatie- en verficatieplichten in het leven geroepen, waarbij steeds
werd verwezen naar de opsomming van identiteitsdocumenten van art. 1 WID.
Inmiddels heeft de wetgever de WID gewijzigd en aangevuld met de Wet op de
uitgebreide identificatieplicht (Stb. 2004, 300). Deze wet treedt op 1
januari 2005 in werking. Gelet hierop heeft het College van
procureurs-generaal een nieuwe aanwijzing voorbereid. Deze aanwijzing
vervangt voornoemde richtlijn uit 1994.
SAMENVATTING
Deze aanwijzing geeft een nadere uitwerking van de Wet op de uitgebreide
identificatieplicht, waarin wijzigingen zijn vervat in onder andere de Wet
op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafrecht, de Algemene wet
bestuursrecht en de Politiewet 1993. Doel van de uitbreiding van de huidige
identificatieplichten is het verschaffen van een instrument om de handhaving
en het toezicht door de overheid over de gehele linie te ondersteunen en te
versterken.
Na een overzicht van de voor deze aanwijzing belangrijkste onderdelen uit de
nieuwe wetgeving, volgt een bespreking van de bevoegdheid tot het vorderen
van een identiteitsbewijs door de politie. In dit verband worden zowel
situaties geschetst waarin identiteitscontrole aangewezen kan zijn, als
situaties waarin dat nu juist niet het geval is. Ook is een passage gewijd
aan de strafvorderlijke dwangmiddelen om de identiteit te achterhalen.
Daarna wordt kort aandacht geschonken aan de identificatieplicht bij de
handhaving van bijzondere wetgeving door de bijzondere opsporingsdiensten,
buitengewoon opsporingsambtenaren en toezichthouders. Het onderdeel
‘strafvordering’ behandelt het strafvorderingsbeleid en mogelijke
samenloopvraagstukken. Ten slotte komen achtereenvolgens de opslag van
gegevens ter zake van de identiteitscontroles en het klachtrecht van burgers
aan de orde.
1. Kernbepalingen met betrekking tot de uitgebreide identificatieplicht
Als documenten waarmee de identiteit kan worden aangetoond, gelden sinds 1
januari 2005 op basis van het gewijzigde art. 1 WID : een geldig Nederlands
reisdocument, een document waarover een vreemdeling ingevolge de
Vreemdelingenwet 2000 kan beschikken, een geldig rijbewijs of voor personen
afkomstig uit de landen van de EU of de EER een geldig nationaal,
diplomatiek of dienstpaspoort of rijbewijs.
Het tweede artikel van de WID omschrijft de toonplicht: “Een ieder die de
leeftijd van veertien jaar heeft bereikt is verplicht op de eerste vordering
van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de Politiewet 1993, een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden. Deze
verplichting geldt ook wanneer de vordering wordt gedaan door een
toezichthouder.”
De corresponderende strafbaarstelling is terug te vinden in artikel 447e
Wetboek van Strafrecht (WvSr): “Hij die niet voldoet aan de verplichting om
een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2
van de Wet op de identificatieplicht, wordt gestraft met een geldboete van
de tweede categorie.”
Artikel 8a Politiewet 1993 regelt de bevoegdheid inzage te vorderen:
“1. Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk
is voor de uitoefening van de politietaak.
2. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de buitengewoon opsporingsambtenaar als
bedoeld in artikel 142, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, voor
zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.
3. (…) ”.
In de Algemene wet bestuursrecht is een nieuw artikel 5:16a ingevoegd, dat
als volgt luidt:
“Een toezichthouder is bevoegd personen inzage te vorderen van een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de WID.”
2. Toepassing van de bevoegdheid door de politie
De uitbreiding van de identificatieplicht beoogt een instrument te
verschaffen om de handhaving en het toezicht door de overheid over de gehele
linie te versterken. Handhaving van de verplichting van art. 447e WvSr kan
daarom nooit een doel op zich zijn. In het geval een proces-verbaal terzake
van het niet-voldoen aan de identificatieplicht wordt opgemaakt, moet
daarbij worden vermeld in welk kader de inzage van het identiteitsbewijs is
gevorderd. Het is dan onvoldoende wanneer in het proces-verbaal slechts
wordt aangegeven dat de bevoegdheid tot het vorderen van een
identiteitsbewijs c.q. de identiteitscontrole plaatsvond op grond van één
van de drie politietaken, te weten: strafrechtelijke handhaving, handhaving
van de openbare orde en hulpverlening. In het proces-verbaal moeten de
feiten en omstandigheden worden gerelateerd op basis waarvan de
opsporingsambtenaar het redelijkerwijs noodzakelijk heeft geacht de inzage
van een identiteitsbewijs te vorderen.
2.1. Situaties waarin uitoefening van de controlebevoegdheid aangewezen
kan zijn
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet op de uitgebreide
identificatieplicht is benadrukt dat de bevoegdheid van de ambtenaar van
politie, zoals verwoord in het nieuwe artikel 8a van de Politiewet 1993,
alleen mag worden toegepast in het kader van een redelijke taakuitoefening.
De volgende, geenszins uitputtend bedoelde, opsomming noemt een aantal
situaties waarin identiteitscontrole aangewezen kan zijn.
- een auto rijdt ‘s nachts rond op een industrieterrein;
- er vindt op straat of in een café een schietpartij plaats en het is
relevant voor het onderzoek om de identiteit van (mogelijke) getuigen vast
te stellen;
- in een groepje bekende dealers duikt een onbekende op;
- hangjongeren veroorzaken overlast in de openbare ruimte;
- er woedt een brand en de (mogelijke) brandstichter zou zich kunnen
bevinden tussen de toegestroomde belangstellenden;
- bij evenementen zoals voetbalwedstrijden en demonstraties in geval van
rellen of dreiging van het ontstaan van rellen;
- bij onrust of dreigend geweld in uitgaansgebieden en/of openbare
manifestaties waarbij gevaar van ordeverstoring aanwezig is.
2.2 Situaties waarin de uitoefening van de controlebevoegdheid niet
zonder meer op zijn plaats is
Voorbeelden van concrete situaties waarin de uitoefening van de bevoegdheid
tot identiteitscontrole niet zonder meer op zijn plaats is, zijn:
- wanneer van iemand de identiteit al bekend is;
- bij preventief fouilleren met betrekking tot personen bij wie geen wapens
of drugs worden gevonden. Het toepassen van preventief fouilleren impliceert
immers niet het vragen naar een identiteitsbewijs.
2.3 Opportuniteitsoverwegingen
Wie zich desgevraagd niet identificeert tegenover een opsporingsambtenaar
maakt zich schuldig aan het strafbare feit van art. 447e WvSr. Er zijn
gevallen denkbaar waarin weliswaar niet aan de toonplicht is voldaan, maar
waarin het niet opportuun is om betrokkene te bestraffen, omdat toch aan het
doel van de bevoegdheid – het vaststellen van de identiteit – is voldaan. In
dit verband valt bijvoorbeeld te denken aan:
- de verwarde of gestoorde persoon die op straat wordt aangetroffen;
- de gevallen waarin iemand het identiteitsdocument op het bureau laat
langsbrengen.
De hoofdregel dient echter te zijn dat de norm gehandhaafd wordt. Er moet
dus zeker geen recht op een coulante behandeling ontstaan, omdat anders op
den duur de waarde van de identificatieplicht voor de rechtshandhaving wordt
ondergraven. Degene die geen identiteitsbewijs bij zich draagt, neemt altijd
het risico dat hij een boete krijgt opgelegd.
2.4 Strafvorderlijke dwangmiddelen om de identiteit te achterhalen
Degene die zich niet conform art. 447e WvSr (of één van de andere
identificatieverplichtingen) identificeert maakt zich schuldig aan een
strafbaar feit. Daarmee worden vanzelf ook de bevoegdheden toepasselijk die
het Wetboek van Strafvordering biedt om de identiteit van verdachten te
achterhalen. Omdat alleen naar een identiteitsbewijs gevraagd zal worden
wanneer het voor de taakuitoefening redelijkerwijs nodig is om duidelijkheid
te verkrijgen over de identiteit van betrokkene, ligt het voor de hand dat
bij het niet-voldoen aan de identificatieplicht gepoogd wordt om door de
toepassing van dwangmiddelen alsnog de identiteit van betrokkene te
achterhalen.
In dat verband zijn met name relevant:
- De bevoegdheid van art. 55b, eerste lid WvSv om een staande gehouden of
aangehouden verdachte met het oog op de vaststelling van de identiteit naar
diens sociaal-fiscaal nummer te vragen;
- De bevoegdheid van art. 55b, tweede lid, WvSv om een staande gehouden of
aangehouden verdachte met het oog op de vaststelling van zijn identiteit aan
zijn kleding te onderzoeken of voorwerpen die hij bij zich draagt of met
zich mee voert te onderzoeken;
- De mogelijkheid om met maximaal zes uur de termijn te verlengen voor
ophouding voor onderzoek met het oog op het vaststellen van de identiteit (art.
61, tweede lid, WvSv)
- De in art. 61a, eerste lid, onder a en b, WvSv genoemde maatregelen in het
belang van het onderzoek, te weten het maken van fotografische opnamen of
video-opnamen, het nemen van lichaamsmaten en het nemen van vingerafdrukken.
3. Bijzondere wetten
De WID uit 1994 introduceerde identificatie- en verificatieverplichtingen in
een aantal wetten op het gebied van de belastingheffing en de sociale
zekerheid. Gaandeweg zijn daar identificatieplichten in andere wetten bij
gekomen. In de Wet op de uitgebreide identificatieplicht hebben vervolgens
via het nieuwe artikel 5:16a van de Algemene wet bestuursrecht ook alle
toezichthouders in de zin van art. 5:11 AWB expliciet de bevoegdheid
gekregen om in het kader van hun taakvervulling inzage in een
identiteitsbewijs te vorderen. Het gevolg is dat het ondoenlijk is om in het
kader van deze aanwijzing een volledig overzicht te geven van alle
bijzondere wetten bij de handhaving waarvan de identificatieplicht in
theorie een rol kan spelen. Een dergelijk overzicht zou ook weinig zinvol
zijn omdat bij de handhaving van de meeste van die wetten zich geen
situaties zullen voordoen waarin het aangewezen is dat de toezichthouder
inzage in een identiteitsbewijs vordert.
Er zijn echter ook gevallen waarin de identificatieplicht wel degelijk een
rol zal spelen bij de handhaving van bijzondere wetten.
Een voorbeeld zijn de controles op de werkplek ten behoeve van de handhaving
van de Wet arbeid Vreemdelingen, de Wet op de Loonbelasting 1964 of de
sociale zekerheidswetgeving. Bij dergelijke controles, die vaak plaatsvinden
in het kader van gecoördineerde acties van verschillende diensten, kan het
vaak noodzakelijk zijn om met zekerheid vast te stellen wat de identiteit is
van de personen die ter plaatse worden aangetroffen.
Omdat het vorderen van inzage in identiteitsbewijzen met zich meebrengt dat
eventueel ook dwangmiddelen worden toegepast om alsnog de identiteit te
achterhalen wanneer iemand zich niet identificeert, betekent dat de
betrokken diensten zich bij de meer grootscheepse operaties van tevoren van
voldoende politiebijstand zouden moeten verzekeren. Het OM zal voorts in
overleg met de relevante bijzondere opsporingsdiensten, buitengewoon
opsporingsambtenaren en toezichthouders moeten benadrukken dat de handhaving
van de draag- en toonplicht geen doel op zich mag zijn.
Strafvordering
4.1 Strafmaat en strafbaarheid
Overtreding van het bepaalde in artikel 447e WvSr is opgenomen als feitcode
D 517 in de Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen
(2003R006). De overtreding van voornoemd artikel wordt bestraft met een
OM-transactie van € 50,- voor volwassenen. Voor jeugdigen van veertien tot
zestien jaar is de transactie bepaald op € 25,- .
Voor de overtreding van de identificatieplicht uit de Wet personenvervoer
2000 geldt voor 12 en 13-jarigen een aparte regeling . De verplichting
desgevraagd inzage in een identiteitsbewijs te tonen ontstaat pas wanneer is
vastgesteld dat de reiziger zwartrijdt. Het niet-voldoen aan de
identificatieplicht is in dit geval geen zelfstandig strafbaar feit, maar
een strafverhogende omstandigheid bij het grondfeit zwartrijden.
In afwijking van de algemene strafrechtelijke ondergrens van twaalf jaar,
die zoals hiervoor aangegeven wel geldt bij overtreding van de
identificatieplicht uit de Wet personenvervoer 2000, is overtreding van art.
447e WvSr eerst strafbaar als degene die zich niet geďdentificeerd heeft
veertien jaar of ouder is.
4.2 Samenloop
Er zullen zich met enige regelmaat gevallen kunnen voordoen waarin sprake is
van samenloop van het delict van art. 447e WvSr en andere strafbare feiten.
In geval van overtreding van artikel 231 WvSr. (het overleggen van een vals
reisdocument) en artt. 160. jo. 177 van de Wegenverkeerswet 1994 is het niet
opportuun om ook nog eens apart vervolging in te stellen voor art. 447e WvSr.
Wanneer betrokkene zich niet alleen niet identificeert maar ook een valse
naam of valse adresgegevens opgeeft (art. 435, sub 4 WvSr), is vervolging
voor beide feiten uit het oogpunt van normbevestiging juist wel geďndiceerd.
In geval van samenloop met specifieke bepalingen in de Vreemdelingenwet 2000
zullen de gebruikelijke vreemdelingenrechtelijke maatregelen worden
toegepast. Afzonderlijke vervolging voor het niet voldoen aan de
identificatieplicht ex artikel 447e WvSr in aanvulling op vorenbedoelde
bepalingen is dan in beginsel niet wenselijk.
5. Opslag van gegevens
Uitgangspunt is dat de politie het uitvoeren van een identiteitscontrole
vermeldt in de dagrapportage, waarin alle activiteiten van de politie worden
vastgelegd. Het registreren van de gecontroleerde personen is op grond van
de huidige Wet politieregisters alleen mogelijk als dat vastleggen
noodzakelijk is voor het uitoefenen van de politietaak. Indien de
identiteitscontrole niet in een proces-verbaal ter zake of in een
proces-verbaal bij de samenloop van delicten is vastgelegd, zal met ingang
van 1 januari 2005 vastlegging hiervan in de dagrapportage moeten
plaatsvinden. Voor de bijzondere opsporingsdiensten en de toezichthouders
geldt een eigen regiem voor de opslag van gegevens.
6. Klachtrecht van de burger
De burger die geverbaliseerd wordt voor het niet voldoen aan de
identificatieplicht, terwijl hij van oordeel is dat hem ten onrechte inzage
is gevraagd, kan dat punt naar voren brengen bij het OM of (uiteindelijk) de
rechter. Wanneer echter geen sanctie is gevolgd, bijvoorbeeld omdat
betrokkene zich heeft geďdentificeerd, bestaat voor hem de mogelijkheid om
zich bij de politie te beklagen over de toepassing van de bevoegdheid van
art. 8a Politiewet 1993. Op de behandeling van deze klacht is de
Klachtenregeling van het betreffende politiekorps van toepassing. Op basis
van deze regeling kan een burger in eerste instantie een klacht indienen bij
de betreffende korpsbeheerder en vervolgens staat een klachtvoorziening open
bij de Nationale ombudsman.
De bijzondere opsporingsdiensten en de toezichthouders beschikken over eigen
klachtenregelingen.
OVERGANGSRECHT
Deze aanwijzing is geldig vanaf de datum van inwerkingtreding.